Wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.

Gecoördineerde versie op 12/11/09.

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK I. - Definities.

Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1 niet-besloten plaats :
elke plaats die niet door een omsluiting is afgebakend en vrij toegankelijk is voor het publiek;

2° voor het publiek toegankelijke besloten plaats :
elk besloten gebouw of elke besloten plaats bestemd voor het gebruik door het publiek waar diensten aan het publiek kunnen worden verstrekt;

3° niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats :
elk besloten gebouw of elke besloten plaats die uitsluitend bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijke gebruikers;

4° bewakingscamera :
elk vast of mobiel observatiesysteem dat tot doel heeft misdrijven tegen personen of goederen of overlast in de zin van artikel 135 van de nieuwe gemeentewet te voorkomen, vast te stellen of op te sporen, of de openbare orde te handhaven en dat hiervoor beelden verzamelt, verwerkt of bewaart; de bewakingscamera die verplaatst wordt tijdens de observatie teneinde vanaf verschillende plaatsen en posities te filmen, wordt als mobiel beschouwd;

5° verantwoordelijke voor de verwerking:
de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt;

6° de wet van 8 december 1992 :
de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied en verhouding tot andere wetgeving.

Art. 3. Deze wet is van toepassing op de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's met het oog op bewaking en toezicht in de plaatsen bedoeld in artikel 2.
Deze wet is niet van toepassing op de plaatsing en het gebruik van :

1° bewakingscamera’s geregeld door of krachtens een bijzondere wetgeving;
2° bewakingscamera’s op de werkplaats met het oog op de veiligheid en de gezondheid, de bescherming van de goederen van de onderneming, de controle van het productieproces en de controle van de arbeid van de werknemer.

Art. 4. De wet van 8 december 1992 is van toepassing behalve in die gevallen waar deze wet uitdrukkelijk een andersluidende bepaling bevat.

HOOFDSTUK III. — Voorwaarden waaronder de plaatsing en het gebruik van vaste bewakingscamera’s zijn toegestaan

Art. 5. § 1. De beslissing tot het plaatsen van een of meer bewakingscamera's in een niet-besloten plaats wordt genomen door de verantwoordelijke voor de verwerking.

§ 2. De in § 1 bedoelde beslissing wordt genomen nadat de gemeenteraad van de gemeente waar de plaats zich bevindt, een positief advies heeft gegeven.
De gemeenteraad verstrekt zijn advies na voorafgaandelijk de korpschef van de politiezone waar die plaats zich bevindt te hebben geraadpleegd.

§ 3. De verantwoordelijke voor de verwerking deelt de in § 1 bedoelde
beslissing mee aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en aan de korpschef van de politiezone waar die plaats zich bevindt. Hij doet dat uiterlijk de dag vóór die waarop de bewakingscamera of -camera's in gebruik worden genomen.
De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vorm en de inhoud van het standaardformulier dat bij die gelegenheid moet worden ingevuld, alsook de wijze waarop dit formulier wordt overgezonden aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en aan de korpschef van de politiezone waar de niet-besloten plaats zich bevindt. In dit formulier bevestigt de verantwoordelijke voor de verwerking dat de plaatsing en het voorgenomen gebruik van de camera of camera’s in overeenstemming is met de beginselen van de wet van 8 december 1992.
De verantwoordelijke voor de verwerking plaatst bij de toegang tot de niet-besloten plaats een pictogram dat aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt. Het model van dat pictogram en de erop te vermelden inlichtingen worden door de Koning bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De verantwoordelijke voor de verwerking ziet erop toe dat de bewakingscamera of -camera's niet specifiek gericht worden op een plaats waarvoor hij niet zelf de gegevens verwerkt, tenzij hij daarvoor expliciet de toestemming heeft van de verantwoordelijke voor de verwerking van de betrokken plaats.

§ 4. Het bekijken van deze beelden in real time is uitsluitend toegestaan onder toezicht van de politiediensten opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde en deze diensten in hun optreden optimaal kunnen worden gestuurd.
Een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, waarvan het ontwerp voor advies is voorgelegd aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepaalt de voorwaarden waaronder personen bevoegd kunnen zijn om deze beelden te bekijken en wijst deze personen aan, die handelen onder toezicht van de politiediensten.
Het opnemen van beelden is uitsluitend toegestaan teneinde bewijzen te verzamelen van overlast of van feiten die een misdrijf opleveren of schade veroorzaken en daders, verstoorders van de openbare orde, getuigen of slachtoffers op te sporen en te identificeren.
Indien deze beelden geen bijdrage kunnen leveren tot het bewijzen van een misdrijf, van schade of van overlast of tot het identificeren van een dader, een verstoorder van de openbare orde, een getuige of een slachtoffer, worden zij niet langer dan één maand bewaard.

Art. 6. § 1. De beslissing tot het plaatsen van een of meer bewakingscamera's in een voor het publiek toegankelijke besloten plaats wordt genomen door de verantwoordelijke voor de verwerking.

§ 2. De verantwoordelijke voor de verwerking deelt de in § 1 bedoelde beslissing mee aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de korpschef van de politiezone waar die plaats zich bevindt. Hij doet dat uiterlijk de dag vóór die waarop de bewakingscamera of -camera's in gebruik worden genomen.
De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vorm en de inhoud van het standaardformulier dat bij die gelegenheid moet worden ingevuld, alsook de wijze waarop dit formulier wordt overgezonden aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de korpschef van de
politiezone waar die plaats zich bevindt. Dit formulier bevestigt dat het gebruik van de camera of camera's in overeenstemming is met de in de wet van 8 december 1992 bepaalde beginselen.
De verantwoordelijke voor de verwerking plaatst bij de toegang tot de voor het publiek toegankelijke besloten plaats een pictogram dat aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt. Het model van dat pictogram en de erop te vermelden inlichtingen worden door de Koning bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De verantwoordelijke voor de verwerking ziet erop toe dat de bewakingscamera of -camera's niet specifiek gericht worden op een plaats waarvoor hij niet zelf de gegevens verwerkt.

§ 3. Het bekijken van beelden in real time is uitsluitend toegestaan om onmiddellijk te kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde.
Het opnemen van beelden is uitsluitend toegestaan teneinde bewijzen te verzamelen van overlast of van feiten die een misdrijf opleveren of schade veroorzaken en daders, verstoorders van de openbare orde, getuigen of slachtoffers op te sporen en te identificeren.
Indien deze beelden geen bijdrage kunnen leveren tot het bewijzen van een misdrijf, van schade of van overlast of tot het identificeren van een dader, een verstoorder van de openbare orde, een getuige of een slachtoffer, worden zij niet langer dan één maand bewaard.

Art. 7. § 1. De beslissing tot het plaatsen van een of meer bewakingscamera's in een voor het publiek niet toegankelijke besloten plaats wordt genomen door de verantwoordelijke voor de verwerking.

§ 2. De verantwoordelijke voor de verwerking deelt de in § 1 bedoelde
beslissing mee aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de korpschef van de politiezone waar die plaats zich bevindt. Hij doet dat uiterlijk de dag vóór die waarop de bewakingscamera of -camera's in gebruik worden genomen.
De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vorm en de inhoud van het standaardformulier dat bij die gelegenheid moet worden ingevuld alsook de wijze waarop dit formulier wordt overgezonden aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de korpschef van de politiezone waar die plaats zich bevindt. Dit formulier bevestigt dat het gebruik van de camera of camera's in overeenstemming is met de in de wet van 8 december 1992 bepaalde beginselen.
De beslissing hoeft niet te worden meegedeeld aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de korpschef van de politiezone waar die plaats zich bevindt, wanneer de bewakingscamera of -camera's door een natuurlijke persoon worden aangewend voor persoonlijk of huiselijk gebruik.
De verantwoordelijke voor de verwerking plaatst bij de toegang tot de voor het publiek niet toegankelijke besloten plaats een pictogram dat aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt. Het model van dat pictogram en de erop te vermelden inlichtingen worden door de Koning bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De verantwoordelijke voor de verwerking ziet erop toe dat de bewakingscamera of -camera's niet specifiek gericht worden op een plaats waarvoor hij niet zelf de gegevens verwerkt. In geval van bewaking van een privé-ingang tegenover een niet-besloten plaats of een voor het publiek toegankelijke besloten plaats, worden de
bewakingscamera of -camera's zo gericht dat de opnamen op die plaats tot het strikte minimum worden beperkt.

§ 3. Indien deze beelden geen bijdrage kunnen leveren tot het bewijzen van een misdrijf, van schade of van overlast of tot het identificeren van een dader, een verstoorder van de openbare orde, een getuige of een slachtoffer, worden zij niet langer dan één maand bewaard.

HOOFDSTUK III/1. — Voorwaarden waaronder het gebruik van mobiele bewakingscamera’s is toegestaan.

Art. 7/1. De politiediensten kunnen gebruik maken van mobiele bewakingscamera’s in het kader van grote volkstoelopen, als bedoeld in artikel 22 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Het betreft uitsluitend niet-permanente opdrachten die tevens in uitvoeringstijd beperkt zijn.
Mobiele bewakingscamera’s kunnen worden gebruikt in een niet-besloten plaats of een voor het publiek toegankelijke besloten plaats.

Art. 7/2. § 1. De beslissing tot het gebruik van mobiele bewakingscamera’s in een niet-besloten plaats wordt genomen door de officier van bestuurlijke politie aan wie de operationele verantwoordelijkheid is toevertrouwd in overeenstemming met de artikelen 7/1 tot 7/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Hij brengt de betrokken burgemeester of burgemeesters hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

§ 2. De beslissing tot het gebruik van mobiele bewakingscamera’s in een voor het publiek toegankelijke besloten plaats wordt genomen door de burgemeester.
De operationele verantwoordelijkheid wordt waargenomen door de officier van bestuurlijke politie aangewezen in overeenstemming met de artikelen 7/1 tot 7/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.

Enkel bij uiterste hoogdringendheid kan deze laatste zelf besluiten tot het gebruik van mobiele camera’s. Hij brengt de betrokken burgemeester hiervan onmiddellijk op de hoogte.

§ 3. De officier van bestuurlijke politie, bedoeld in de paragrafen 1 en 2, waakt er tevens over dat het gebruik van de camera’s doelmatig en efficiënt is en in overeenstemming is met de in de wet van 8 december 1992 bepaalde beginselen.
Wanneer de officier van bestuurlijke politie beslist over te gaan tot het gebruik van mobiele camera’s, geeft hij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kennis van die beslissing ten laatste op de dag die voorafgaat aan de genoemde volkstoeloop, behalve in het geval van dringende noodzakelijkheid. In dat laatste geval dient hij ten laatste binnen de zeven dagen een kennisgeving aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te bezorgen.

§ 4. Het bekijken van deze beelden in real time door de politiediensten is uitsluitend toegestaan, opdat de bevoegde diensten zich preventief kunnen opstellen en onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde en deze diensten in hun optreden optimaal kunnen worden gestuurd.

§ 5. Het opnemen van beelden is uitsluitend toegestaan teneinde :
— preventieve maatregelen te nemen om een verstoring van de openbare orde te     vermijden;
— bewijzen te verzamelen van feiten die een misdrijf opleveren of een aantasting van de openbare orde;
— bewijzen te verzamelen van feiten die schade of overlast veroorzaken;
— een dader, een verstoorder van de openbare orde, getuigen of slachtoffers op te sporen en te identificeren.

§ 6. Indien de beelden geen bijdrage
Hij richt daartoe een gemotiveerd verzoek aan de verantwoordelijke voor de verwerking conform de artikelen 10 en volgende van de wet van 8 december 1992.

HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen.

Art. 8. Elk heimelijk gebruik van bewakingscamera's is verboden.
Als heimelijk gebruik wordt beschouwd, elk gebruik van bewakingscamera's zonder voorafgaande toestemming van de gefilmde persoon.
Geldt als voorafgaande toestemming :

1° het betreden van een plaats waar een pictogram aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt;

2° de aanwezigheid op een niet-besloten plaats of op een voor het publiek toegankelijke besloten plaats waar op zichtbare wijze van mobiele bewakingscamera’s gebruik wordt gemaakt als bedoeld in artikel 7/1.
Mobiele bewakingscamera’s, gemonteerd op niet-gebanaliseerde voertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen, worden geacht op zichtbare wijze gebruikt te zijn.

Art. 9. Uitsluitend de verantwoordelijke voor de verwerking inzake voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen of niet voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen of de persoon die onder zijn gezag handelt, heeft toegang tot de beelden.
De verantwoordelijke voor de verwerking of de persoon die onder zijn gezag handelt, neemt alle nodige voorzorgsmaatregelen teneinde de toegang tot de beelden te beveiligen tegen toegang door onbevoegden.
De personen die toegang hebben tot de beelden, hebben een discretieplicht omtrent de persoonsgegevens die de
beelden opleveren, met dien verstande dat de verantwoordelijke voor de verwerking inzake voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen of niet voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen of de persoon die onder zijn gezag handelt, de beelden :

1° kan overdragen aan de politiediensten of de gerechtelijke overheden indien hij feiten vaststelt die een misdrijf of overlast kunnen vormen en de beelden kunnen bijdragen tot het bewijzen van die feiten en het identificeren van de daders;

2° moet overdragen aan de politiediensten indien zij hierom verzoeken in het kader van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie en de beelden het vastgestelde misdrijf of de vastgestelde overlast betreffen. Indien het een niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats betreft, kan de verantwoordelijke voor de verwerking of de persoon die onder zijn gezag handelt, evenwel eisen dat er een gerechtelijk mandaat in het kader van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek wordt voorgelegd.

Art. 10. Bewakingscamera's mogen noch beelden opleveren die de intimiteit van een persoon schenden, noch gericht zijn op het inwinnen van informatie over de filosofische, religieuze, politieke, syndicale gezindheid, etnische of sociale origine, het seksuele leven of de gezondheidstoestand.

Art. 11. Een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, waarvan het ontwerp voor advies is voorgelegd aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan het gebruik van bepaalde toepassingen van camerabewaking verbieden of aan bijkomende voorwaarden onderwerpen.

Art. 12. Iedere gefilmde persoon heeft een recht van toegang tot de beelden.
Hij richt daartoe een gemotiveerd verzoek aan de verantwoordelijke voor de verwerking conform de artikelen 10 en volgende van de wet van 8 december 1992.

HOOFDSTUK V. - Strafbepalingen.

Art. 13. Overtreding van de artikelen 9 en 10 wordt gestraft met geldboete van tweehonderd vijftig euro tot duizend euro. Met dezelfde geldboete wordt gestraft, hij die de beschikking heeft over een afbeelding waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat dit beeld verkregen werd met schending van de artikelen 9 en 10.
Overtreding van de artikelen 5, 6, 7, 7/1, 7/2 en 8 wordt gestraft met geldboete van vijfentwintig euro tot honderd euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, hij die de beschikking heeft over een afbeelding waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat dit beeld verkregen werd met schending van deze artikelen.

HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepaling.

Art. 14. Bewakingscamera's geplaatst voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, dienen uiterlijk drie jaar na haar inwerkingtreding aan de bepalingen van deze wet te voldoen.


10/02/2008 | Koninklijk besluit tot vaststelling van de wijze waarop wordt aangegeven dat er camerabewaking plaatsvindt (gewijzigd door het koninklijk besluit van 21 augustus 2009)

Art. 1
De pictogrammen, bedoeld in artikel 5, § 3, derde lid, van de wet tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, hierna “de wet” genoemd, alsook de pictogrammen, bedoeld in artikel 6, § 2, derde lid van de wet, geplaatst aan de toegang van een voor het publiek toegankelijke besloten plaats, waarvan de toegang niet wordt afgebakend door een onroerend bouwwerk, voldoen aan de volgende voorschriften:

1° ze hebben als afmetingen 0,60 × 0,40 m;
2° ze voldoen aan het model en de kleuren van het model opgenomen in bijlage bij dit besluit;
3° ze bestaan uit één enkele aluminiumplaat van minstens 1,5 mm dikte.

Als, in een niet besloten plaats, de toegangen niet van elkaar kunnen onderscheiden worden, duidt de verantwoordelijke voor de verwerking de plaatsen aan waar de pictogrammen, bedoeld in artikel 5, § 3, derde lid, van de wet, zullen aangebracht worden, zodat een zekere toegankelijkheid tot de informatie gegarandeerd wordt.

Art. 2
De pictogrammen, bedoeld in artikel 6, § 2, derde lid, van de wet, geplaatst aan de toegang van een voor het publiek toegankelijke besloten plaats, waarvan de toegang wordt afgebakend door een onroerend bouwwerk, voldoen aan de voorschriften zoals bedoeld in artikel 1 van dit besluit of aan de volgende voorschriften:
1° ze hebben als afmetingen [0,297 × 0,21 m of 0,15 × 0,10 m];
2° ze voldoen aan het model en de kleuren van het model opgenomen in bijlage bij dit besluit;
3° ze bestaan uit één enkele aluminiumplaat van minstens 1,5 mm dikte of uit een geplastificeerde sticker.
De verantwoordelijke voor de verwerking moet erover waken dat het gekozen model van pictogram met zekerheid de informatie zichtbaar weergeeft, gelet onder meer op de breedte en de vorm van de toegang en eventueel het aantal aangebrachte exemplaren.

Art. 3
De pictogrammen, bedoeld in artikel 7, § 2, vierde lid, van de wet, voldoen aan de voorschriften zoals bedoeld in artikel 1 of 2 van dit besluit of aan de volgende voorschriften:

1° ze hebben als afmetingen 0,15 × 0,10 m;
2° ze voldoen aan het model en de kleuren van het model opgenomen in bijlage bij dit besluit;
3° ze bestaan uit één enkele aluminiumplaat van minstens 1,5 mm dikte of uit een geplastificeerde sticker.

De verantwoordelijke voor de verwerking moet erover waken dat het gekozen model van pictogram met zekerheid de informatie zichtbaar weergeeft, gelet onder meer op de breedte en de vorm van de toegang en eventueel het aantal aangebrachte exemplaren.

Art. 4
Op de pictogrammen, bedoeld in de artikelen 1 tot 3 van dit besluit, of op een aanhangende drager, worden daarenboven op zichtbare en leesbare wijze de volgende vermeldingen aangebracht:

1° “Camerabewaking – Wet van 21 maart 2007”;
2° de naam van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de verwerking, en in voorkomend geval van zijn/haar vertegenwoordiger, bij wie de betrokken personen de rechten bedoeld in de artikelen 10 en 12 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, kunnen uitoefenen;
3° het postadres en, in voorkomend geval, het e-mailadres waarop de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn vertegenwoordiger bereikt kan worden.

Als deze vermeldingen in verschillende talen opgesteld worden, kunnen ze op verschillende eentalige pictogrammen of aanliggende dragers worden aangebracht.

Art. 5
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 2 KB 21 augustus 2009, BS 25 september 2009, ed. 2:
De pictogrammen die zijn aangebracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, in toepassing van artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 10 februari 2008 tot vaststelling van de wijze waarop wordt aangegeven dat er camerabewaking plaatsvindt, kunnen worden behouden. Hetzelfde geldt voor de pictogrammen die voor deze datum werden aangemaakt.


Koninklijk besluit van 2 juli 2008 betreffende de aangiften van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's  (B.S., 15 juli 2008 (eerste uitg.))

Gewijzigd bij KB 27 augustus 2010 (BS 10 september 2010), met ingang van 10 september 2010.

Art. 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1°“de wet van 8 december 1992”: de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
2°“de wet”: de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's;
3°“de Commissie”: de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in de wet van 8 december 1992;
4°“aangifte”: de mededeling door de verantwoordelijke voor de verwerking van het plaatsen en het gebruik van bewakingscamera's zoals voorgeschreven, al naar gelang het geval, door de artikelen 5, § 3, tweede lid, 6, § 2, tweede lid, en 7, § 2, tweede lid, van de wet;
5°“E-loket”: het elektronisch systeem voor de registratie van aangiften van een verwerking van persoonsgegevens, beheerd door de Commissie en ter beschikking gesteld op haar website;
6°“bewakingssysteem”: het systeem waarbij bewakingscamera's worden geplaatst en gebruikt als bedoeld in artikel 3 van de wet met inbegrip van het bekijken en het verwerken van de beelden;
7°“operationeel systeem”: het bewakingssysteem waarbij één of meerdere camera's in een gesloten circuit verbonden zijn met één of meerdere meldkamers;
8°“meldkamer”: de plaats waar de beelden worden bekeken en waar ze, desgevallend, worden bewaard;
9°“site”: de aanduiding van de oorsprong van de gegevens, door opgave van de gebiedsomschrijving waarover het bewakingssysteem zich uitstrekt;
10°“locatie”: de identificatie op de site van de
plaatsingspunten waar bewakingscamera's worden opgesteld.

Art. 2
De aangifte van de plaatsing en het gebruik van een bewakingssysteem gebeurt op elektronische wijze via het E-loket van de Commissie.
De Commissie stelt daartoe thematische aangifteformulieren “camerabewaking – bewaking en toezicht” genaamd, ter beschikking.
Door de aangifte via het E-loket wordt voldaan aan de meldingsplicht ten aanzien van de Commissie en [...] aan de korpschef van de bevoegde politiezone. De Commissie waakt erover dat de mededeling wordt gedaan aan deze laatste.

Art. 3
Er wordt een thematisch aangifteformulier opgemaakt voor bewakingssystemen die betrekking hebben op “niet-besloten plaatsen”.
Er wordt een thematisch aangifteformulier opgemaakt voor bewakingssystemen die betrekking hebben op “besloten plaatsen”. In dit formulier wordt een onderscheid gemaakt al naar gelang de plaats voor het publiek toegankelijk is of niet.

Art. 4
§ 1 Voor de beoordeling van het besloten of niet-besloten karakter van een plaats moet de omsluiting minstens bestaan uit een op rechtmatige wijze aangebrachte visuele afbakening of aanduiding waardoor de plaatsen van elkaar kunnen worden onderscheiden.

§ 2 Wanneer het bewakingssysteem tegelijkertijd betrekking heeft op plaatsen van verschillend type en de verwerking van de gegevens geschiedt door middel van eenzelfde operationeel systeem, wordt de aangifte als volgt gedaan:

1°wanneer het operationeel systeem betrekking heeft op een of meerdere niet-besloten plaatsen en een of meerdere besloten plaatsen, via een
aangifte voor een niet-besloten plaats;
2°wanneer het operationeel systeem betrekking heeft op een of meerdere voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen en een of meerdere niet voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen, via een aangifte voor een voor het publiek toegankelijke besloten plaats.

§ 3 Voor de aangifte worden de voornaamste toegangsruimten tot een besloten plaats die al dan niet voor het publiek toegankelijk is, geacht hetzelfde statuut te hebben als de besloten plaats zelf.

Art. 5
De aangifte wordt gedaan per plaats waarop het operationeel systeem betrekking heeft.
Wanneer het bewakingssysteem betrekking heeft op een site die zich uitstrekt over een gebied dat besloten plaatsen betreft die onderbroken zijn door een niet-besloten plaats, dient voor iedere besloten plaats een afzonderlijke aangifte te worden gedaan, zelfs indien de verwerking van de gegevens geschiedt door middel van eenzelfde operationeel systeem.

Art. 6

§ 1 Iedere aangifte bevat de aanduiding van de site en de locatie waarover het operationeel systeem zich uitstrekt alsook de plaats waar de verwerking geschiedt.
De aanduiding van de site gebeurt door vermelding van de gemeente en, voor wat de besloten plaatsen betreft, het adres waar de plaats is gesitueerd.

De aanduiding van de locatie gebeurt door vermelding van:

1°voor de niet-besloten plaatsen, de opsomming van de straten en/of pleinen waarover      het operationeel systeem zich uitstrekt;
2°voor de besloten plaatsen, de vermelding of het operationeel systeem enkel betrekking heeft op het gebied binnen de site dan wel of het ook betrekking heeft op de uitwendige begrenzing van de site;
3°indien het operationeel systeem vermeld onder 2° eveneens betrekking heeft op de begrenzing, de opsomming van de straten en/of pleinen waaraan de site grenst voor zover er daar een of meerdere camera's opgesteld staan.

De aanduiding van de plaats waar de verwerking geschiedt gebeurt door de vermelding van het adres waar de meldkamer zich bevindt of van de verscheidene adressen wanneer er meerdere meldkamers zijn voor hetzelfde operationeel systeem.

§ 2  De aangifte bevat voorts:

1°de identiteit van de verantwoordelijke van de verwerking;
2°de benaming van de verwerking met vermelding van het type van de plaats;
3°het doeleinde van de verwerking, zijnde “bewaking en toezicht”;
4°de categorie van de gegevens die worden verwerkt, zijnde “beeldopnamen”;
5°de wettelijke of reglementaire basis, zijnde “de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's”;
6°de wijze van informeren over de verwerking;
7°de categorieën van ontvangers;
8°de beveiligingsmaatregelen die zijn genomen in het kader van de mededeling van de gegevens aan derden;
9°informatie over de uitoefening van het recht tot toegang;
10°de bewaartermijn voor de gegevens;
11°de veiligheidsmaatregelen die genomen zijn ter vrijwaring tegen de toegang door onbevoegden;
12°de categorieën van gegevens en het land van bestemming;
13°de identiteit van de contactpersoon en van de ondertekenaar.

Wanneer de aangifte een niet-besloten plaats betreft, bevat ze eveneens de [datum] van [...] het positief advies van de bevoegde gemeenteraad [...].

[De aangifte bevat] eveneens de verklaring dat het bewakingssysteem in overeenstemming is met de in de wet van 8 december 1992 bepaalde beginselen, als bedoeld in de artikelen [5, § 3, tweede lid,] 6, § 2, tweede lid, en 7, § 2, tweede lid, van de wet.

Art. 7
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekend gemaakt.

Art. 8
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Waasland Security is een door de Federale Overheid erkende onderneming voor alarmsystemen en camerasystemen, geregistreerd onder vergunning FOD 20.1884.01, en gespecialiseerd in elektronische beveiligingsoplossingen voor particulieren, bedrijven en overheden.

BTW BE 0561.880.715

Tijdens kantooruren
  • +32 3 289 83 21
Meldkamer van Securitas Alert Services
  • +32 2 252 70 27